Intro Deel II
Carlyle stopte voor mij met lopen. Ga door met lopen! dacht ik. Ik had het willen schreeuwen. Loop door en besteed geen nodeloze aandacht aan mij. Ik probeerde nonchalant weer een stap te nemen. Met de kaken op elkaar geknepen probeerde ik de pijn te maskeren. Maar hij zag het door. Hij zag het door zoals hij dat altijd deed, de kwal.
‘Zo kun je niet lopen.’ Carlyle kwam met kleine sprongetjes van zijn verhoging af. Onder hem rolden steentjes met hem de berg af, waardoor het leek dat hij aan het bergsurfen was. Door zijn hakken in het rollende zand te steken verminderde hij snelheid, totdat hij voor mij stil stond. Zijn bezorgde aandacht ergerde me. Ik had wel eens voor hetere vuren gestaan. Wie dacht hij wel wie ik was?
Uitnodigend stak hij zijn hand naar me uit. ‘Ik draag je wel.’
‘Tuurlijk kan ik wel lopen.’ Ik keek van zijn hand weg door recht in zijn gezicht te kijken. Het was vuil van het orangegrijze zand dat hier het aardoppervlak beheerste. Zijn donkerblonde lange haren waren bedekt met een laagje grijs stof en hingen als vettige slierten naar beneden. Ik zou er wel niet veel beter uitzien. ‘Jouw hulp heb ik wel als laatste nodig.’ Ik draaide mijn hoofd van zijn gezicht weg. Misschien was ik bang te zien dat ik hem gekwetst zou hebben. Maar dat was onmogelijk. Deze kerel was onmogelijk te kwetsen. Laat staan door mij. Hij had daarnet wel oprecht bezorgd gekeken. Zijn wenkbrauwen hadden een bezorgde bocht naar boven gekruld. Maar deze kerel, bedacht ik me snel, was de koning van de gezichtsmanipulatie.
Hem negerend probeerde ik mij een weg naar boven te banen. Bij elke stap die ik met mijn verzwikte enkel maakte, drong er een stekende pijn tot mij door. Ik probeerde me van deze pijn af te leiden door elke keer zachtjes op mijn wang te bijten. Het hielp niet.
En dat wist hij. Hoe kon hij het mogelijk niet weten? Bij elke stap kromde mijn been enkele centimeters naar voren van de pijn, waarbij mijn bovenlichaam naar opzij zwenkte om niet uit evenwicht te raken. Ik was als een waggelende pinguin. Ik liet een woedend geluidje tussen mijn tanden ontsnappen.
‘Je ziet toch zelf dat het zo niet kan?’riep Carlyle van onder mij. ‘Kom op. Er zijn twee opties die beiden luisteren naar ‘Je kunt mijn rug op.’ Ik prefereer de eerste optie.’
Probeerde hij nu lollig te zijn? Als het aan mij lag kon hij ook zeker mijn rug op. Helaas zat ik hier aan hem vast, omdat er niets anders was. Hoe had ik ook zo stom kunnen zijn? Zuchtend liet ik me op een middelgroot rotsblok vallen. Als hij zo stug volhield, kon ik maar beter aan hem toegeven. Van hem afkomen zou ik toch niet.
Een lach van triompf tekende zich op zijn gezicht. Hij had zijn spelletje gewonnen. Springend van de ene steen naar de andere steen kwam hij als een overwinnaar mijn kant op. Het was duidelijk dat ik verloren had.

